Brusselse Raad voor Meertaligheid Brussels Council for MultilingualismConseil bruxellois pour le multilinguismeBrusselse Raad voor MeertaligheidBrüsseler Rat für MehrsprachigkeitConsiglio di Bruxelles per il MultilinguismoConsejo de Bruselas para el Multilingüismoمجلس بروكسل للتعددية اللغويةСовет Брюсселя по многоязычиюConselho de Bruxelas para o MultilinguismoBrukselska Rada ds. WielojęzycznościConsiliul de Multilingvism din BruxellesBrüksel Çok Dillilik KonseyiΣυμβούλιο Πολυγλωσσίας των ΒρυξελλώνBruxelles flerspråkighetsrådBrüsseler MéisproochegkeetsrotBruxelles Flersprogethed RådetCivaka Pirzimaniya BrukselêConsei dal Multilinguisim di BruxellesСъвет по многоезичие в БрюкселРада багатомовності в БрюсселіRada pre viacjazyčnosť v BruseliConsell del Multilingüisme de Brussel·lesKëshilli i Shumëgjuhësisë së BrukselitBriseles daudzvalodības padomeブリュッセル多言語評議会Brüsszeli Többnyelvűségi TanácsCussigiu de su Multilinguismu de Bruxellesבריסל מולטילינגואַליזם קאָונסיל布鲁塞尔多语言委员会Briuselio daugiakalbystės tarybaIl-Kunsill tal-Multilingwiżmu ta' BrussellСавет за вишејезичност у БриселуSvet za večjezičnost v BrusljuComhairle Ilteangachais na BruiséileConselh del Multilingüisme de BrussèlasBryssela giellalašvuođaráđđiBruselako Eleaniztasun KontseiluaBrüsseleskero But-čhibutňikereskero KonsiloConsello do Multilingüismo de BruxelasBrysselin monikielisyysneuvostoVijeće za višejezičnost u BruxellesuBrusselse MeartalichheidsriedBruselská rada vícejazyčnostiBrüsseli mitmekeelsuse nõukoguब्रुसेल्स बहुभाषावाद परिषदبرسلز کثیر لسانی کونسل

Veelgestelde vragen (FAQs)

Vind antwoorden op een groot aantal vragen over meertaligheid en het Marnixplan.

← Terug naar Archief Marnixplan

1. Het Marnixplan

1. Wat is het Marnixplan ?

Het Marnixplan voor een meertalig Brussel is een collectief initiatief om het tijdig en coherent leren van verschillende talen te bevorderen onder alle lagen van de Brusselse bevolking. Het focust in de eerste plaats op het Frans, het Nederlands en het Engels, maar moedigt tevens de overdracht van alle moedertalen en thuistalen aan. 

2. Wat is het doel van het Marnixplan ?

Het Marnixplan beheert een website, publiceert een electronische nieuwsbrief, en organiseert publieke evenementen (bv. debatten). Via deze weg hopen wij mensen samen te brengen, te informeren en aan te moedigen om de meertaligheid van de Brusselse bevolking te stimuleren. Het Marnixplan wil bruggen slaan tussen de vele breuklijnen die binnen de Brusselse bevolking lopen, en het klimaat van wederzijds onbegrip, rivaliteit en wantrouwen om te buigen tot een klimaat van wederzijds respect, vertrouwen en steun. Wij willen de vele, reeds bestaande en waardevolle initiatieven die deze doelstellingen nastreven, verenigen binnen een gemeenschappelijk, enthousiasmerend project. Dit alles in het besef dat wat werkt voor sommigen of in bepaalde contexten niet noodzakelijk werkt voor iedereen of in alle situaties. Dit betekent geenszins dat meertaligheid een onhaalbare doelstelling is ; meertaligheid kan door iedereen worden nagestreefd en bereikt, indien dit gebeurt op een weloverwogen manier met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van de specifieke context en individuele omstandigheden. Ten slotte wil het Marnixplan de inwoners van de Europese hoofdstad ervan overtuigen dat talen leren en anderen helpen om talen te leren een normale dagelijkse activiteit zou moeten zijn. Meertaligheid is bovendien op velerlei manieren verrijkend, bevredigend en waardevol voor iedereen, zowel economisch, sociaal als cultureel. Meertaligheid is essentieel voor het instant houden van de dynamiek in de superdiverse stad die Brussel is.

3. Waarom een Marnixplan ?

Het Marnixplan berust op twee overtuigingen. Enerzijds dat het leren van talen – en voornamelijk de verwerving van een adequate kennis van het Frans, het Nederlands en het Engels van cruciaal belang is voor de inwoners van Brussel. Anderzijds, dat door een weloverwogen gebruik van de specificiteit van de diverse Brusselse context de verwezenlijking van deze meertaligheid een meer haalbare en realistische doelstelling is dan elders.

Een goede kennis van het Frans, het Nederlands en het Engels is belangrijk voor al diegenen die opgroeien in Brussel, niet alleen om hen aan een job te helpen binnen Hoofdstedelijk Gewest en haar hinterland zelf, maar ook om hen de kans te geven zich in Vlaanderen of Wallonië te vestigen of daar te werken. Meertaligheid is ook essentieel voor de economische dynamiek van de stad en haar goede werking als hoofdstad van de Europese Unie. De belangrijkste gemeenschappelijke troef van de bevolking die in Brussel opgroeit is zonder twijfel dat ze een efficiënte link kan zijn tussen de groeiende Engelstalige internationale activiteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de twee aangrenzende gewesten.

Tegelijkertijd zou het leren van talen in Brussel gemakkelijker moeten zijn dan elders, op voorwaarde dat er optimaal gebruik wordt gemaakt van de talenrijkdom en de goede wil om meerdere talen te leren van een groot aantal inwoners van Brussel en omstreken. Dit doel bereiken vereist het vroeg en innovatief leren van meer dan één taal in alle Brusselse scholen en een efficiënte(re) samenwerking tussen scholen, media, sociale partners, vrijwilligersverenigingen en –vooral – de gezinnen.

4. Waarom voorrang geven aan drie talen ?

In se zijn alle talen waardevol en belangrijk. Maar het Frans, het Engels en het Nederlands zijn, in die volgorde, de meest en best gekende talen in Brussel, ook al zijn ze niet noodzakelijk de meest gebruikte moeder- of thuistalen. De Brusselse bevolking telt meer moedertaalsprekers van het Turks of (varianten van) het Arabisch dan moedertaalsprekers van het Engels of zelfs, als we naar de jongere generaties kijken, van het Nederlands. Wereldwijd zijn er ook veel meer moedertaalsprekers van pakweg het Chinees en het Spaans dan van het Frans en het Nederlands. De status van het Frans en het Nederlands in Brussel en in de twee aangrenzende gewesten, en de rol van het Engels in en rond de Europese instellingen in Brussel, maken de verwerving van deze drie talen cruciaal voor zowel sociale, economische, administratieve, en politieke redenen. Niettemin moet de prioriteit van het Frans, Engels en Nederlands gepaard gaan met respect voor en het behoud van de vele andere talen, groot of klein, die in het Gewest worden gesproken. Ook de andere talen moeten kunnen worden overgedragen naar de volgende generaties. 

5. Waarom “Marnix” ?

 In 2005 keurde Wallonië een "Marshallplan" goed. Wat Brussel vandaag vooral nodig heeft, is niet zozeer een investeringsplan voor haar infrastructuur, maar wél een plan om de taalvaardigheden van haar inwoners te ontwikkelen. En voor de naam van dat plan hebben we geen Amerikaanse generaal nodig. Een groot Brussels intellectueel leent zich daartoe perfect. Filips van Marnix van Sint Aldegonde (1540-1598) Hij was een naaste medewerker van Willem van Oranje, bijgenaamd De Zwijger, en eveneens een edelman die zijn lange tijd in Brussel doorbracht en die nu beschouwd wordt als de Vader des Vaderlands van Nederland. In die hoedanigheid werd Filip van Marnix één van de vooraanstaande figuren in de calvinistische opstand tegen het Spaanse katholieke bewind in het laatste deel van de 16de eeuw. Filip van Marnix was ook een uitgesproken polyglot die boeken publiceerde in het Latijn, Frans en het Nederlands. Op de gevel van een basisschool in de Brusselse Marollen, staat een beeld van Marnix die zijn postuum gepubliceerde verhandeling Ratio instituendae juventutis over de opleiding van jongeren vasthoudt. Dit boek bevat het eerste gekende pleidooi voor immersieonderwijs en het vroegtijdig leren van verschillende talen. Ondanks de overeenkomst in naam, is er geen enkel verband tussen het Marnixplan en de Marnixring, een « internationale service club » (gemodelleerd naar de Rotary Club) gesticht in 1968 die vooral in Vlaanderen actief is en tot doel heeft « de Nederlandse taal- en cultuurgemeenschap te dienen ».

6. Wie zijn de mensen achter het Marnixplan ?

Het Marnixplan is een ‘grass-roots” initiatief dat uitgaat van de Brusselse burgermaatschappij en haar middenveld. Het Marnixplan vindt haar oorsprong in een colloquium georganiseerd in mei 2010 door de vereniging Aula Magna, over de lessen die Brussel kan leren uit de ervaringen van Barcelona en Luxemburg met de verwerving van meerdere talen. De grote lijnen van het Marnixplan werden vervolgens uiteengezet tijdens een brainstormingsessie in juni 2012 waaraan zowel vertegenwoordigers van Franstalige, Nederlandstalige en Europese scholen in Brussel deelnamen, alsook van Brusselse vakbonden en werkgeversorganisaties, van de Europese instellingen, van diverse relevante verenigingen, de Brusselse media en van verscheidene universiteiten. Het inauguraal evenement vond plaats op 23 september 2013 in de Zinneke zaal van het Brussels Information Point. Het Marnixplan wordt gecoördineerd door Alex HOUSEN (hoogleraar taalkunde en toegepaste taalkunde aan de Vrije Universiteit Brussel en decaan van de Faculteit Letteren & Wijsbegeerte ), Philippe VAN PARIJS (gasthoogleraar aan de UCLouvain, de KULeuven en de European University Institute (EUI) in Florence), en Nell FOSTER (pedagogisch consulent, lector Engels aan de Université libre de Bruxelles, en doctoranda in de sociolinguïstiek aan de Universiteit Gent) die in 2018 Anna SOLE MENA (Europese Commissie) verving. Het Marnixplan geniet een toelage van de Koning Boudewijnstichting en de Nationale Loterij. Voor haar werking steunt het Marnixplan bijna uitsluitend op de vrijwillige medewerking van al diegenen die overtuigd zijn van het belang van de meertaligheid van de Brusselse bevolking en daaraan wensen bij te dragen.

2. Meertalig Brussel

1. Wat is het officiële taalregime in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en omstreken ?

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en haar negentien gemeenten zijn officieel tweetalig. Zowel het Nederlands als het Frans hebben er de status van officiële taal. Alle officiële documenten, publieke aankondigingen, straatnamen en verkeersborden moeten dus in het Nederlands en in het Frans beschikbaar zijn. De openbare besturen en instanties moeten in hun contacten met de Brusselse burgers Frans of Nederlands gebruiken, naargelang de voorkeur van de burger. Bovendien moet het verplicht openbaar onderwijs, zowel basis- als middelbaar onderwijs, het Frans of het Nederlands als enige onderwijstaal gebruiken. Iedere gemeente in Vlaanderen en Wallonië heeft, op enkele uitzonderingen na, slechts één officiële taal : het Nederlands in Vlaanderen en het Frans in Wallonië. Deze taal is dus de officiële taal voor alle betrekkingen tussen de overheid en haar burgers en tevens de onderwijstaal in het openbaar onderwijs. De uitzonderingen zijn de negen Waalse gemeenten in de Oostkantons waar Duits de officiële taal is, twee Waalse gemeenten waar het Frans de officiële taal is maar met Duitstalige faciliteiten voor Duitstalige inwoners, vier Waalse gemeenten met Nederlandstalige faciliteiten voor Nederlandstalige inwoners, en tenslotte twaalf Vlaamse gemeenten (waarvan zes Brusselse randgemeenten) waar het Nederlands de officiële taal is maar die Franstalige faciliteiten aanbieden voor Franstalige inwoners. Deze taalfaciliteiten bestaan uit een beperkt aantal rechten op het gebruik van een tweede taal in administratieve aangelegenheden en het kleuter en lager onderwijs.

2. Wat zijn de moedertalen van de Brusselse bevolking ?

Van de Middeleeuwen tot de 19e eeuw sprak een overgrote meerderheid van de Brusselse bevolking een dialect van het Nederlands als moedertaal. Het Frans deed haar intrede als exclusieve taal van het gerecht onder de Hertogen van Bourgondië in de 15e eeuw en bleef gedurende de volgende eeuwen hoofdzakelijk de taal van de Brusselse elite. De situatie veranderde na 1830 toen Brussel de hoofdstad werd van de officieel eentalig Franse Belgische staat, en toen steeds meer kinderen toegang kregen tot lager onderwijs. Dit leidde tot een geleidelijke verfransing van zowel de oorspronkelijke bevolking als van de Vlaamse inwijkelingen in Brussel. Zelfs na de erkenning van het Nederlands als tweede officiële landstaal in 1898 ging de verfransing van Brussel verder, met als gevolg dat het merendeel van de Brusselse bevolking nu het Frans als moedertaal heeft. Maar in de afgelopen decennia heeft de massale immigratie vanuit Europese en niet-Europese landen geleid tot een enorme toename van de taaldiversiteit in Brussel.

De meest recente en betrouwbare gegevens zijn gebaseerd op een representatieve steekproef van meer dan 2500 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gedomicileerde volwassenen, die in 2017 bevraagd werden in het kader van de vierde Taalbarometer van de Vrije Universiteit Brussel. De resultaten van de Taalbarometer van 2017 kunnen vergeleken worden met de resultaten van de eerdere Taalbarometers uit 2001, 2006 en 2011, evenals met de resultaten van een gelijkaardig onderzoek uitgevoerd in zogenaamde “Vlaamse Rand” (de 19 gemeentes rond het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die tot de provincie Vlaams Brabant behoren, waartoe ook de zes taalfaciliteitengemeentes behoren waarvan eerder sprake, en die samen een 400.000 inwoners vertegenwoordigen). Onderstaande tabel toont de evolutie van de verschillende talen die de respondenten opgaven wanneer hen gevraagd werd naar hun thuistaal tijdens hun jeugd, hetzij als enige taal of in combinatie met een of meerdere andere talen1.

| Moedertaal | 2001 | 2006 | 2011 | 2017 | Rand 2018 |
| FRANS | 71.0 | 76.4 | 63.2 | 73.0 | 37.4 |
| NEDERLANDS | 19.3 | 15.6 | 19.6 | 16.3 | 55.9 |
| ENGELS | 2.9 | 2.3 | 2.5 | 2.6 | {{
}} |
| ARABISCH | 9.7 | 6.9 | 21.1 | 8.9 | {{
}} |
| SPAANS | 2.5 | 2.9 | 3.0 | 3.0 | {{
}} |
| DUITS | 1.6 | 1.8 | 0.9 | 2.7 | {{
}} |
| ITALIASNS | 2.5 | 3.2 | 2.5 | 2.5 | {{
}} |
| TURKS | 3.3 | 1.4 | 4.5 | 1.3 | {{
}} |

Bron : Rudi Janssens, Meertaligheid als opdracht. Een analyse van de Brusselse taalsituatie op basis van taalbarometer 4, VUB Press, 2018, tabel 21 ; Rudi Janssens, De Rand vertaald. Een analyse van de taalsituatie op basis van taalbarometer 2 van de Vlaamse Rand, VUB Press, 2019, tabel 23 ; en persoonlijke communicatie met Rudi Janssens voor andere talen dan het Nederlands en het Frans.

Ongeveer 30% van de Brusselaars (en meer dan 30% van de jongere Brusselaars) beweert te zijn opgegroeid in een gezin waarin meerdere talen gesproken werden, bijvoorbeeld het Nederlands, Arabish of het Turks in combinatie met het Frans1. In 2017 gaven 52% van de ondervraagden in Brussel aan thuis uitsluitend Frans te hebben gesproken, en 5,6% sprak uitsluitend Nederlands in het ouderlijk gezin. Voor de Vlaamse Rand (2018) zijn de percentages respectievelijk 20,4% voor het Frans en 45% voor het Nederlands.

1. Janssens, Meertaligheid als opdracht, VUB 2018, tabelen 22 en 23.

3. Welke talen kennen de Brusselaars ?

Niemand weet met zekerheid hoeveel talen de Brusselaars spreken, maar de laatste Taalbarometer identificeerde meer dan honderd verschillende talen in de steekproef van ongeveer 2500 Brusselaars. Maar aangezien er meer dan 180 nationialiteiten vertegenwoordigd zijn in het Brusselse gewest, en veel van die landen meertalig zijn, moet het aantal verschillende talen in Brussel in werkelijkheid nog hoger liggen.

De volgende tabel toont het percentage volwassen Brusselaars die in de vier opeenvolgende Taalbarometeronderzoeken aangaven goed tot zeer goed de meest voorkomende talen in Brussel te spreken. De laatste kolom toont de cijfers voor de Vlaamse Rand (2018).

| {Goede tot zeer goede kennis } |
|   | {2001 } | {2006 } | {2011 } | {2017 } | {Rand 2018} |
| FRANS (FR) | 95.5 | 95.6 | 88.5 | 87.1 | 79.6 |
| NEDERLANDS (NL) | 33.3 | 28.3 | 23.1 | 16.3 | 68.5 |
| ENGELS (EN) | 33.3 | 35.4 | 29.7 | 34.4 | 50.0 |
| ARABISCH | 10.1 | 6.6 | 17.9 | 9.1 | 4.6 |
| SPAANS | 6.9 | 7.4 | 8.9 | 4.9 | 11.7 |
| DUITS | 7.1 | 5.6 | 7.0 | 3.2 | 19.1 |
| ITALIAANS | 4.7 | 5.7 | 5.2 | 3.5 | 6.6 |
| TURKS | 3.3 | 1.5 | 4.5 | 1.4 | 1.8 |
| FR+NL | 32.8 | 27.0 | 20.8 | 13.6 | 51.7 |
| FR+NL+EN | 16.4 | 15.1 | 11.6 | 6.2 | 33.2 |

Onderstaande tabel geeft een meer gedetailleerd overzicht van de verschillende taalvaardigheidsniveaus voor de drie belangrijkste talen in de Brusselse Taalbarometer (2017) en (tussen haakjes) in de Vlaamse Rand (2018)1.

|   | {FRANS } | {NEDERLANDS } | {ENGELS } |
| {Zeer goede kennis } | 67.8 (55.1) | 9.2 (56.5) | 12.0 (19.7) |
| {Goede kennis } | 19.3 (24.5) | 7.1 (12.0) | 22.4 (30.3) |
| {Kan zich behelpen } | 12.0 (15.0) | 20.3 (15.4) | 26.0 (24.6) |
| {Kent enkele woorden } | 0.7 (4.1) | 43.0 (10.9) | 18.7 (12.4) |
| {Geen kennis } | 0.1 (1.3) | 20.5 (5.1) | 20.8 (13.1) |

In het licht van deze cijfers kan men stellen dat, indien er in België (nog) een tweetalig Nederlands-Frans gebied bestaat, dat dat de Vlaamse Rand is (51,7% beweert goed tot zeer goed de beide talen te beheersen) eerder dan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (13,6%). De daling van een goede kennis van de twee officiële talen van Brussel sinds 2000 wordt slecht gedeeltelijk opgevangen door de lichte stijging van de (goede tot zeer goede) kennis van de internationale lingua franca, het Engels. In 2017 beweerde 7,6% van de ondervraagde Brusselaars noch goed het Frans, noch het Nederlands noch het Engels te spreken, tegenover slechts 3% in 2000. Indien men deze percentages doortrekt naar de volledige populatie vertegenwoordigen deze cijfers resp. 91.200 inwoners (in 2017 bedroeg de populatie ongeveer 1.200.000 inwoners), tegenover 28.500 (2000, populatie : 950.000).

Een verklaring voor deze ontwikkeling moet wellicht in de gestegen diversiteit en vooral de sterk toegenomen fluiditeit van de Brusselse bevolking gezocht worden. Zoals hierboven reeds werd aangegeven, steeg de Brusselse bevolking tussen 2000 en 2017 sterk in aantal (van ongeveer 950.000 naar 1.200.000). In de loop van diezelfde periode kwamen ongeveer 1.200.000 mensen zich in Brussel vestigen, waarvan de meerderheid (800.000) uit het buitenland. Tegelijkertijd verlieten 1.100.000 mensen Brussel, het merendeel (600.000) naar de rest van België. Van de nieuwe inwijkelingen – vooral uit Midden- en Oost-Europa - kende wellicht slechts een minderheid Nederlands of zelfs Frans. Daarentegen had een aanzienlijk deel van zij die Brussel verlieten, een goede kennis van het Frans en/of het Nederlands verworven tijdens hun verblijf in Brussel.

1R. Janssens, De Rand vertaald, VUB Press, 2019, tabel 6.

4. Welke plaats heeft taalonderwijs in het leerplan van Franstalige scholen in Brussel ?

De Brusselse scholen die gefinancierd worden door de overheid omvatten zes jaar lager onderwijs en zes jaar secundair onderwijs. Ze vallen onder de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap (de Federatie Wallonië-Brussel, 76% van de Brusselse leerlingen en praktisch alle leerlingen in Wallonië) of de Vlaamse Gemeenschap (de Vlaamse overheid, 18% van de Brusselse leerlingen en alle leerlingen in Vlaanderen). De overige leerlingen in Brussel (ongeveer 6%) gaan naar de Europese scholen of internationale privé-scholen. De wet van 1963 verplicht het onderwijs van de tweede officiële taal in alle lagere en middelbare scholen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in de zes aanpalende gemeenten met taalfaciliteiten en de taalgrensgemeenten met faciliteiten.

Voor wat het Franstalig onderwijs betreft, moet er een onderscheid gemaakt worden tussen de huidige situatie en de situatie na de gelijdelijke implementatie van de hervorming van het onderwijs in de Franstalige gemeenschap – het “Pacte d’excellence” – die vanaf 2021 ingaat in het lager onderwijs, en vanaf 2026 wordt doorgevoerd in het secundair onderwijs. De Franstalige lagere scholen in Brussel worden momenteel verondersteld in het 3e en 4e leerjaar 3 lesuren per week te besteden aan het Nederlands-als-tweede-taal, en 5 uur in het 5e en 6e leerjaar. De lagere scholen in Wallonië kunnen kiezen tussen het Nederlands, Engels of het Duits als tweede taal, dat gedurende 2 lesuren per week wordt onderwezen. Het “Pacte d’excellence” wijzigt niets substantieels aan de situatie van het tweedetaalonderwijs in de Franstalige lagere scholen in Brussel, meer bepaald aan de mogelijkheid om er lessen Nederlands te geven in het 5e en 6e leerjaar. De kennis van het Nederlands wordt niet geëvalueerd voor het getuigschrift basisonderwijs.

Tijdens de eerste twee jaar van het Franstalige secundair onderwijs in Brussel krijgen alle leerlingen momenteel vier lesuren Nederlands per week. In het secundair onderwijs in Wallonië krijgen leerlingen vier lesuren Nederlands of Engels. Vanaf het derde jaar zijn er grote verschillen qua aantal uren voor de tweede taal en de eventuele derde taal tussen de onderwijsrichtingen - algemeen, technisch of beroepsonderwijs.

Met de invoering van het “Pacte d’excellence” wordt de gemeenschappelijke stam in het Franstalig secundair onderwijs verlengd van twee naar drie jaar. In het eerste jaar secundair onderwijs zijn er vier lesuren (evenveel als in het lager onderwijs) tweede taal (in Brussel dus het Nederlands). In het tweede en derde jaar daalt het aantal uren tweedetaalonderwijs van vier naar drie lesuren, maar er komt een derde vreemde moderne taal bij – in Brussel is dat verplicht het Engels-, eveneens à rato van drie lesuren per week, evenals het Latijn, à rato van twee lesuren per week. In de laatste drie jaren van het secundair onderwijs volgen de leerlingen ofwel ‘l’enseignement de transition’ (ter voorbereiding op het hoger onderwijs), ofwel ‘l’enseignement de qualification’ (voorheen ‘professionnel’ of beroepsonderwijs). In een aantal scholen en een aantal studierichtingen van het ‘transitieonderwijs’ zullen leerlingen, zoals vandaag al het geval is, de mogelijkheid hebben om nog een bijkomende vreemde taal te kiezen, waaronder het Duits, Italiaans, Spaans, Arabisch, of het Russisch. In het ‘kwalificatieonderwijs’ zullen er inspanningen gedaan worden om vreemdetaalonderwijs aan te bieden aangepast aan de noden en behoeften van de specifieke beroepsuitweg, om op die manier een einde te maken aan de huidige situatie waar een groot deel van de leerlingen in het beroepsonderwijs geen enkel vreemdetaalonderwijs krijgt tijdens de laatste vier jaar van het secundair onderwijs.

Daar waar in 2000 nog 20% van de leerlingen die uitstromen uit het Franstalig onderwijs in Brussel beweerden goed tot zeer goed Nederlands te spreken, was dat percentage gezakt tot 8% in de Taalbarometer van 20171. Alhoewel het “Pacte d’excellence” beweert van talen een van zijn prioriteiten te maken, is het twijfelachtig of het met de hierboven beschreven maatregelen deze dalende trend van de kennis van het Nederlands in Brussel zal kunnen keren. Het aantal lesuren tweedetaalonderwijs mag dan wel verdubbelen in Wallonië (vergeleken met de huidige situatie), maar in Brussel verandert er niets. Het Nederlands telt ook nog steeds niet mee voor het CEB (Certificat d’études de base, een centraal examen en certificaat dat alle leerlingen in het Franstalig lager onderwijs op het einde van hun zesde leerjaar moeten behalen om door te stromen naar het secundair onderwijs). En het valt ook te vrezen dat de huidige moeilijkheden om competente taalleerkrachten Nederlands te recruiteren voor de Brusselse scholen na de invoering van het Pacte d’excellence nog zullen toenemen door de stijging van het aantal uren taalonderwijs in de Waalse scholen. Daar komt nog bij dat het aantal lesuren Nederlands als tweede taal zal verminderen in de eerste drie jaren van het secundair onderwijs (van vier naar drie lesuren per week), om plaats te creëren in het curriculum voor de twee verplichte lesuren Latijn. Het gebrek aan enthousiasme van de Franse Gemeenschap om de studie en de verwerving van het Nederlands in Brussel meer te ondersteunen en te bevorderen, zou deels ingegeven zijn door haar bezorgdheid om de opleiding van Waalse kinderen niet onnodig te belemmeren die in de loop van hun onderwijstraject naar Brussel trekken.

1 R. Janssens, Meertaligheid als opdracht, VUB 2018, tabel 46

5. Welke plaats heeft taalonderricht in het leerplan van Nederlandstalige scholen in Brussel ?

In de Brusselse Nederlandstalige lagere scholen is Frans als tweede taal verplicht vanaf het derde leerjaar (pas vanaf het vijfde leerjaar in Vlaanderen), maar veel Brusselse Nederlandstalige scholen geven al Frans taalonderwijs vanaf het eerste leerjaar. Op het einde van het basisonderwijs moeten de leerlingen voor het Frans het niveau A1 van het ERK (Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Talen) bereiken.

Alle leerlingen in Brusselse Nederlandstalige secundaire scholen moeten minstens twee vreemde talen leren. Afhankelijk van de de gekozen studierichting krijgen leerlingen in het eerste en tweede jaar drie, vier of vijf lesuren Frans per week en twee tot drie lesuren Engels (in het gemeenschapsonderwijs vanaf het eerste jaar, in het vrije (katholieke) onderwijs vanaf het tweede jaar). Vanaf het derde jaar, en weer afhankelijke van de gekozen studierichting, worden Frans en Engels minstens twee lesuren (in de praktijk meestal drie tot vier) per week onderwezen. Een vierde taal kan tevens worden gekozen in het vijfde en zesde jaar, afhankelijk van de studierichting (zoals Moderne Talen of Toerisme). De vierde taal is meestal Duits of Spaans, en minstens één lesuur per week onderwezen. Normaal gezien is 20% van het leerplan in het secundair Nederlandstalig onderwijs gewijd aan taalonderwijs. De doelstelling is dat de leerlingen het niveau B1 van het ERK bereiken voor het Frans en het Engels na zes jaar secundair onderwijs.

Volgens de Taalbarometer 20171geeft 69% van de Brusselaars jonger dan dertig die het Nederlandstalig onderwijs hebben gevolg te kennen goed tot zeer goed Frans te kunnen spreken. Voor het Engels is dat 72%. Deze cijfers zijn relatief hoger (en aanzienlijk hoger dan de cijfers voor het Franstalig onderwijs, met resp. 8% voor het Nederlands en 41% voor het Engels), maar vertegenwoordigen toch een aanzienlijke daling in vergelijking met 2000, vooral voor wat de kennis van het Frans betreft (resp. 94% en 78% in 2000). Desalniettemin blijft een algemene drietaligheid in de twee officiële talen van Brussel en het Engels een veel haalbaardere doelstelling in het Nederlandstalige onderwijs dan in het Franstalige onderwijs, tenminste zolang het Nederlands taalonderricht in het Franstalig onderwijs niet drastisch wordt hervormd.
1R. Janssens, Meertaligheid als opdracht, VUB 2018, tableau 46.

6. Welke plaats heeft taalonderwijs in het leerplan van Europese scholen in Brussel?

Brussel telt momenteel vier permanente Europese scholen – in Ukkel (Brussel 1), in Woluwe (Brussel 2), in Elsene (Brussel 3) en in Laken (Brussel 4) – en één tijdelijke Europese school in Vorst (Berkendael). Éen van de centrale doelstellingen van de Europese scholen is het aanbieden van een multinationale, multiculturele en meertalige (leer)omgeving aan een linguïstisch en culturele diverse leerlingenpopulatie. Taalonderwijs bekleedt dus een cruciale plaats in het leerplan van de Europese Scholen. Alle leerlingen leren op zijn minst twee talen naast hun eigen moedertaal.

Het onderwijs in de Europese Scholen bestaat uit twee jaar kleuteronderwijs (van 4 tot 6 jaar), vijf jaar lager onderwijs (van 7 tot 11 jaar) en zeven jaar secundair onderwijs (van 12 tot 18 jaar). Momenteel worden 24 van de officiële of nationale talen van de lidstaten van de Europese Unie er onderwezen als eerste taal (L1).

|| Taalsecties in de Europese Scholen in Brussel - 2018/2019 | ||
| School | BU | CZ | DE | DK | EN | EL | ES | ET | FI | FR | HU | IT | LT | LV | NL | PL | PT | RO | SK | SV | Total |
| Bxl I | | | x | x | x | | x | | | x | x | x | | | | x | | | | | 8 |
| Bxl Berkendael | | | | | | | | | | x | | | | x | | | | | x | | |
| Bxl II | | | x | | x | | | | x | x | | x | x | | x | | x | | | x | 9 |
| Bxl III | | x | x | | x | x | x | | | x | | | | | x | | | | | | 7 |
| Bxl IV | x | | x | | x | | | x | | x | | x | | | x | | | x | | | 7 |
| Total | 1 | 1 | 4 | 1 | 4 | 1 | 2 | 1 | 1 | 5 | 1 | 3 | 1 | 1 | 3 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 35 |

Er zijn momenteel 17 verschillende ‘moedertaal’ of ‘L1’ secties in de Europese scholen van Brussel. Alle Brusselse scholen beschikken over een Engelse, Franse en Duitse taalsectie, terwijl de andere taalsecties verdeeld zijn over de scholen (zie bovenstaande tabel).

De leerlingen van wie de moedertaal een officiële taal van de Europese Unie is, maar waarvoor er nog geen aparte taalsectie bestaat (Kroatisch, Estlands, Iers, Lets, Maltees, Slovaaks of Sloveens) mogen zich inschrijven in één van de secties waarvan de taal als voertaal van de Europese scholen fungeert (Duits, Engels of Frans). Leerlingen die geen eigen (moeder)taalsectie hebben (SWALS-leerlingen of Students Without A Language Section), en hun basisonderwijs in Engels, Frans of Duits krijgen, krijgen wel aparte lessen in hun L1. Maltese en Ierse leerlingen kunnen ook Maltees of Iers studeren als Andere Nationale taal (ONL – Other National Language), en dit al vanaf het kleuteronderwijs.

Het leren van een tweede taal (L2) is verplicht vanaf het eerste leerjaar van de lagere school. Voor hun L2 kunnen de leerlingen kiezen tussen Engels, Frans of Duits. Vanaf het 3e leerjaar kan de L2 ook als onderwijstaal worden gebruikt tijdens het wekelijkse European Hours (“Europese Uren”) en soms ook tijdens de lessen lichamelijke, muzikale en plastische opvoeding. Vanaf het secundair onderwijs worden vakken als geschiedenis en aardrijkskunde in de L2 van de leerlingen gegeven, evenals enkele andere vakken die als keuzevak worden aangeboden vanaf het 4e jaar (bijv. economie). Door de keuze van keuzevakken krijgen sommige leerlingen aldus in de laatste twee jaar van het secundair onderwijs tot 50% van hun lessen in hun L2.

Alle leerlingen moeten een derde taal (L3) leren vanaf het eerste jaar van het secundair onderwijs. Ze kunnen Latijn kiezen als keuzevak vanaf het 3e jaar. Vanaf het vierde jaar kunnen ze een vierde taal (L4) kiezen, en vanaf het vijfde jaar zelfs een vijfde taal (L5). De L3 en L4 kunnen worden gekozen uit de (momenteel 24) officiële talen van de Europese Scholen, afhankelijke van de plaatselijke mogelijkheden en voorzieningen. De L5 kan om het even welke taal zijn, indien er voldoende vraag naar is (bijv. Chinees). De L3 en soms ook de L4 kunnen ook gebruikt worden als onderwijstaal voor een aantal keuzevakken in de hogere jaren van het secundair onderwijs.

De vreemdetaalklassen evenals de vakken die in een vreemde taal worden onderwezen (L2, L3, L4, L5) bestaan uit leerlingen van verschillende nationaliteiten, en de lessen worden meestal gegeven door moedertaalsprekers. De dagdagelijkse interactie tussen leerlingen van verschillende eerste taalachtergronden maar met een gemeenschappelijke L2 of L3 op de speelplaats, in de gangen en in de ontspanningsruimtes in de Europese Scholen bevordert de verwerving van andere talen evenals het besef dat het gebruik van andere talen niet enkel onmisbaar maar ook iets vanzelfsprekend is.

In 2019 keurde de Raad van Bestuur van de Europese Scholen principieel een grondige hervorming van het talencurriculum goed, die ondermeer voorziet in een vroegere start van de derde taal (L3) (in het vierde jaar van de lagere school) en een uitbreiding van het aantal tweede talen (behalve Frans, Engels en Duits kunnen ook de taal van de gastgemeenschap van een school als L2 worden aangeboden). Deze hervorming, indien finaal goedgekeurd, zal vermoedelijk in 2020-2021 worden ingevoerd.

Alle leerlingen moeten een derde taal (L3) leren vanaf het 2e middelbaar. Ze kunnen Latijn kiezen als keuzevak vanaf het 3e jaar en een vierde taal (L4) vanaf het 4e jaar. De taalklassen bestaan uit leerlingen van verschillende nationaliteiten en de lessen worden meestal gegeven door moedertaalsprekers. Alledaagse interactie op de speelplaats, in de gang en in de ontspanningsruimtes bevordert de verwerving van andere talen en het besef dat het gebruik van andere talen niet alleen onmisbaar is maar ook iets natuurlijks.

7. Zijn er tweetalige scholen in Brussel ?

Echte tweetalige scholen De Europese Scholen zijn officieel meertalige scholen . Maar is het niet de logica zelve dat in een officieel tweetalige stad alle andere scholen tweetalig zouden zijn? Het is reeds een feit in, bijvoorbeeld, Barcelona met het Catalaans en het Spaans, in Singapore met het Engels en (afhankelijk van de ethnische achtergrond) het Chinees, Tamil of Malay, en ook in het Groothertogdom Luxemburg waar het Luxemburgs, het Duits en het Frans naast elkaar gebruikt worden als onderwijstalen naargelang de fase van het onderwijs. In Brussel zijn er strikt genomen geen door de overheid gefinancierde tweetalige scholen. Toch is er een duidelijke vraag naar, zoals blijkt uit het toenemende aantal Franstalige en anderstalige ouders die hun kinderen in Nederlandstalige scholen inschrijven in de veronderstelling en hoop dat hun kinderen op die manier Nederlands leren en op die manier, in combinatie met hun thuista(a)l(en), tweetalig worden. De vraag naar twee- of meertalig onderwijs blijkt verder ook uit opinieonderzoeken die aangeven dat het merendeel van de Brusselse bevolking tweetalig onderwijs ondersteunt (90% volgens de Taalbarometer 2018). Kort na zijn eedaflegging als minister-president van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in mei 2013 verklaarde Rudi Vervoort dat hij vastbesloten was om te “vechten voor tweetalig onderwijs” in Brussel. Om belangrijke stappen in deze richting te kunnen zetten, moeten echter verschillende politieke en institutionele obstakels overwonnen worden. Ook het gebrek aan leerkrachten met de vereiste kwalificaties om verschillende zaakvakken (bv. Aardrijkskunde, Geschiedenis) in een andere onderwijstaal (vooral het Nederlands) te geven, dient daarvoor aangepakt te worden. Een eerste stap in de goede richting is daartoe al gezet: in 2017, op initiatief van Minister Guy Vanhengel, is er een tweetalige lerarenopleiding opgestart in samenwerking met de Erasmushogeschool Brussel en de Haute Ecole Francisco Ferrer. En in april 2019 hebben de rectoren van de Université Libre de Bruxelles en de Vrije Universiteit Brussel gezamenlijk een publieke oproep gedaan voor de oprichting van meertalige secundaire scholen, waar er zowel in het Frans, het Nederlands als in het Engels wordt onderwezen. Dit voorstel is door velen goed ontvangen maar werd uiteindelijk niet opgenomen in het regeerakkoord 2019-2024 van de regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het debat heeft er echter wél geleid tot nieuwe inzichten over de juridische mogelijkheden voor de inrichting van meertalige onderwijs. De studie “La création d’écoles bilingues en RBC” van het Brussels Studies Institute is hiervan een goed voorbeeld.

Op dit moment hebben de Franse en Nederlandse taalgemeenschappen het monopolie op het gesubsidieerde openbaar onderwijs, met respectievelijk het Frans en het Nederlands als enige onderwijstalen. De taalwetgeving van 1963 zou het onderwijs in zowél het Frans als het Nederlands niet in de weg mogen staan. Meerdere gemeentes hebben interesse getoond om inrichtende macht te zijn van meertalige scholen. De grote vraag blijft wie dit onderwijs zou financieren en reguleren. De Federale staat heeft de bevoegdheid daartoe maar heeft er momenteel niet de middelen en structuur voor. Ze is voorlopig ook niet bereid om deze bevoegdheid over te dragen aan het Brussels gewest. Bovendien moet ook het probleem van het gebrek aan gekwalificeerd personeel nog opgelost worden.

Immersie in het Franstalig onderwijs Immersieonderwijs kan worden beschouwd als een variant van tweetalig onderwijs. Strikt genomen, onder de Belgische wet, kunnen scholen die immersieonderwijs of een andere vorm van tweetalig onderwijs aanbieden niet gefinancierd worden door de overheid, aangezien de gefinancierde scholen onder de bevoegdheid vallen van de drie Gemeenschappen, elk gekenmerkt door hun eigen onderwijstaal – het Nederlands, het Frans en het Duits. Niettemin heeft de Franse Gemeenschap in 1998 een decreet aanvaard dat scholen toelaat om zich om te vormen tot immersiescholen. Het onderwijs van bepaalde vakken in een andere taal wordt daarbij voorgesteld als een manier om deze taal te oefenen, in plaats van ze echt als tweede onderwijstaal te beschouwen (ze wordt soms ‘immersietaal’ genoemd). In 2019-2020 boden 185 Franstalige lagere scholen (waarvan 20 in Brussel) immersielessen aan in het Nederlands of in het Engels, soms tot 70% van de totale lestijd. In 2017-2018 waren er 128 secundaire immersiescholen in de Franse Gemeenschap, waarvan 23 in Brusse (zie lijst (site enkel in het Frans)). In het basisonderwijs en in de eerste twee jaar van het secundair onderwijs is de immersietaal in de Brusselse immersiescholen steeds het Nederlands. Vanaf de tweede cyclus van het secondair onderwijs kunnen scholen in principe ook Engelse immersie aanbieden, maar dat aanbod is tot nu toe erg schaars (zie lijst (enkel in het Frans)). Het onderwijs in de immersietaal varieert van 8 tot 18 uur per week. Ondanks de aandacht die het geniet (o.a. in de pers) blijft het immersieonderwijs in de Franse Gemeenschap eerder een statistisch marginaal fenomeen.

Immersie in het Nederlandstalig onderwijs De Vlaamse gemeenschap neemt officieel een eerder terughoudende houding aan tegenover tweetalig onderwijs, vooral in en rond Brussel, en voorziet dan ook geen tweetalig onderwijs in het kleuter en lager onderwijs. De officiële reden hiervoor is dat een groot deel van de leerlingen in de Brusselse Nederlandstalige scholen niet het Nederlands als thuistaal hebben. Voor deze leerlingen biedt de reguliere Nederlandstalige school dus al een vorm van ‘submersie’, zo luidt de redenering. Omdat een belangrijk deel van de leerlingen in de Brusselse Nederlandstalige scholen het Frans als thuistaal hebben, zou het gebruik van het Frans als bijkomende onderwijstaal de ontwikkeling van het Nederlands namelijk kunnen belemmeren, met als gevolg dat deze leerlingen de vereiste leerdoelstellingen en eindcompetenties niet bereiken om te slagen in het secundair en hoger onderwijs. Studies tonen echter aan dat dit niet noodzakelijk het geval is. Niettegenstaande deze bedenkingen en de terughoudendheid, waren er in het recente verleden wel degelijk voorbeelden van tweetalig onderwijs in Brusselse Nederlandstalige scholen. Zo boden op initiatief van de Molenbeekse vereniging Foyer een klein aantal Nederlandtalige basisscholen gedurende een dertigtal jaren een lichte vorm van tweetalig onderwijs aan voor kinderen van Italiaans-, Spaans- en Arabisch-sprekende origine, door aan deze kinderen een klein aantal uren les te geven in hun respectieve thuistaal (maar niet aan de andere kinderen in die scholen). Ondanks het succes van deze formule werd het project in 2011 stopgezet. Vandaag gaat het experimenteren verder in een handvol Nederlandstalige scholen onder het STIMOB-project (Stimulerend Meertalig Onderwijs Brussel), waarbij een aantal bijkomende uren (bijv. herhalingslessen wiskunde) in het Frans worden aangeboden.

De doorbraak voor tweetalig onderwijs kwam er in 2013 toen het Vlaams Parlement een decreet goedkeurde die een variant van immersieonderwijs, Content and Language Integrated Learning (CLIL) genaamd, in het secundair onderwijs toelaat, en dat zowel in Vlaanderen als in Brussel, zij het onder bepaalde voorwaarden. Zo mag slechts 20 procent van de niet-taalvakken in een andere taal dan het Nederlands (de zgn. CLIL-taal) worden aangeboden. In Brussel, zoals in de rest van Vlaanderen, zijn de toegelaten CLIL-talen het Frans, Engels en Duits. In 2019-2020 zijn er reeds 123 CLIL-scholen, waarvan 4 in Brussel (Meertalig Atheneum Woluwe, GO! Atheneum Etterbeek, Comenius Campus Koekelberg en Atheneum GO for Business in Molenbeek). Deze vier scholen bieden zaakvakken (bv. Aardrijkskunde, Geschiedenis, Economie) in het Frans en/of het Engels.

[8. Zijn er meertalige media in Brussel ?->javascript:;]

Audiovisuele media De lokale Brusselse televisiekanalen zijn BX1(van 1985 tot 2016 TéléBruxelles) in het Frans en BRUZZ (van 1993 tot 2016 TV Brussel) hoofdzakelijk in het Nederlands, maar ook in het Frans en Engels. De Nederlandse programma’s op BRUZZ worden ondertiteld in het Frans en het Engels en de Frans- en Engelstalige interviews worden ondertiteld in de twee respectievelijke andere talen. Op BX1 gebeurt dit (nog) niet. Er zijn ook verscheidene lokale radiozenders in het Frans, het Nederlands of in andere talen (bv. Arabisch, Turks, Engels). Radiozender FM Brussel biedt zowel Nederlands- als Franstalige programma’s aan. Het radiostation BXFM richt zich op de “Eurobrusselaars” en biedt programma’s aan in het Frans, Engels, Italiaans en Spaans.

Geschreven pers La Capitale is een Franstalig dagblad met lezers in Brussel en Waals Brabant. De nationale dagbladen bevatten meestal enkele pagina’s over Brussel. De Nederlandstalige weekkrant Bruzz (eerder Brussel Deze Week) biedt wekelijks een ruim overzicht van het culturele aanbod in Brussel aan in het Nederlands, Frans of Engels (met voor elk artikel een korte samenvatting in de twee andere talen), evenals een driemaandelijkse culturele editie voor de Brussels kinderen (Kidsgazette) in deze drie talen.

Online In Brussel, net als in andere steden, wordt de traditionele geschreven en audiovisuele pers aangevuld en deels vervangen door websites en blogs, vaak actief in twee, drie of meer talen. In het Engels hebben we momenteel vooral The Bulletin (tot in 2012 ook een gedrukt weekblad) en The Brussels Times (ook een tweemaandelijks tijdschrift).

3. Waarom meertalig worden?

1. Wat is een meertalige persoon?

Mensen kunnen meertalig (of veeltalig) ) worden genoemd als ze twee of meer talen beheersen, op welk competentieniveau dan ook. Sommige mensen beheersen twee of meer talen zo goed dat ze kunnen doorgaan voor eentalige moedertaalsprekers van beide talen, en dat in elke situatie en onder alle omstandigheden. Zulke gevallen zijn echter eerder de uitzondering dan de regel. De meeste meertaligen beheersen hun verschillende talen in verschillende mate. Wat als hun sterkere of zwakkere taal kan worden beschouwd, kan bovendien veranderen van situatie tot situatie en in de loop van hun leven. Sommige meertaligen schrijven formele teksten beter in de ene taal (bijvoorbeeld het Frans of het Nederlands dat ze op school geleerd hebben), maar voor losse babbels met bekenden, het uiten van emoties of het vertellen van grappen zijn ze dan weer beter in hun andere taal, mogelijk zelfs een taal zijn die ze niet kunnen schrijven (bijvoorbeeld hun Vlaams of Marokkaans dialect). Meertaligheid heeft met andere woorden verschillende gedaanten. Óf je meertalig bent, en hoé meertalig je bent, hangt uiteindelijk af van de eigen perceptie en van de wil om de verworven taalcompetenties ook in de praktijk om te zetten.

2. Wat is een meertalige gemeenschap?

Sommige gemeenschappen van mensen — landen, gemeenten, scholen, enzovoort — officieel eentalig, tweetalig of meertalig, , in die zin dat de formele communicatie gevoerd wordt in één, twee of meer talen. Deze officiële status is niet noodzakelijk een afspiegeling van het aantal moedertalen, feitelijk gekende talen of talen die gebruikt worden door de leden van de betrokken gemeenschappen. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bijvoorbeeld is officieel tweetalig Frans-Nederlands, maar op basis van de meest recente gegevens kan men veronderstellen dat de inwoners van Brussel honderden verschillende moedertalen hebben en die talen regelmatig blijven spreken. Deze veelheid aan moedertalen of talen die gekend zijn door de leden van een gemeenschap – hetzij een familie, een organisatie, een bedrijf, een school, een buurt, een stad, een regio of een land – kan taaldiversiteit worden genoemd. Gemeenschappen die officieel meertalig zijn of de facto taalkundig divers, kunnen enorm verschillen in de mate waarin hun leden meertalig zijn. Aan het ene uiteinde van de meertaligheidsschaal vind je een situatie waarin de verschillende taalgroepen die de gemeenschap vormen niet in staat zijn om met elkaar te communiceren. Aan het andere uiteinde kunnen ze allemaal vloeiend elkaars taal spreken. Een volwaardig meertalige gemeenschap is er een waarvan de leden zelf meertalig zijn. Brussel zal volwaardig meertalig zijn, wanneer al zijn inwoners – weliswaar in verschillende mate, maar toch significant - meertalig zullen zijn.

3. Hoe vaak komt meertaligheid voor?

De consensus vandaag de dag bestaat erin dat meertaligheid erg gangbaar is, zowel bij individuen als binnen gemeenschappen. Zelfs individuen en gemeenschappen die op het eerste gezicht eentalig lijken te zijn, blijken bij nader inzien toch meertalig te zijn. Volgens de meest betrouwbare schattingen gebruikt meer dan de helft van de wereldbevolking op een bepaald moment in het leven en op verschillende competentieniveaus minstens één taal die anders is dan de moedertaal. Volgens de beste beschikbare schattingen (zie ) worden er op dit ogenblik wereldwijd ongeveer 7.000 talen gesproken of op zijn minst begrepen. Met slechts een 200-tal soevereine landen in de wereld leert een eenvoudig rekensommetje ons dat, zelfs al werd elke taal gekoppeld aan één land, veel landen een grote graad van taaldiversiteit zouden moeten hebben en dus ook veel meertalige burgers om überhaupt te kunnen functioneren.

4. Wat zijn de voordelen van meertaligheid voor het individu?

Nog niet zo lang geleden bestond bij velen in Europa de overtuiging dat pogingen om meer dan één taal te beheersen – zeker minder “gedistingeerde” talen dan Latijn, Grieks, Frans of Duits - de geest in verwarring zouden brengen, mensen asociaal zouden maken en zelfs crimineel gedrag en psychische ziektes zouden veroorzaken. Op basis van verschillende onderzoeken tijdens de laatste decennia wordt deze visie niet langer aangehouden in de wetenschappelijke wereld. In de plaats daarvan wordt meertaligheid nu algemeen als een troef beschouwd en wel omwille van twee redenen.

Het meest evidente voordeel van meertaligheid voor een individu is het feit dat meertaligheid de communicatiemogelijkheden vergroot. Dat is in veel contexten relevant. Professioneel vergroot de kennis van meer dan één taal vaak de kans om een job te vinden of toegang te hebben tot betere jobs. Cultureel vergemakkelijkt meertaligheid de ontdekking van verschillende culturen, hun literatuur en tradities. Sociaal opent meertaligheid de mogelijkheid tot rijkere contacten, zowel tijdens reizen in het buitenland als in de omgang met andere leden van de eigen meertalige gemeenschap. Een beter wederzijds begrip, verdraagzaamheid en vertrouwen komen op die manier makkelijker tot stand. Binnen families van vreemde of gemengde origine kan meertaligheid er ook voor zorgen dat de kinderen een intieme band met de rest van de familie behouden en sterk verbonden blijven met hun culturele roots, zonder daardoor gehinderd te worden bij hun integratie in de lokale gemeenschap.

Bovenop dit communicatief voordeel wordt de jongste tijd in een toenemend aantal studies aangetoond dat een vroege meertaligheid een reeks van cognitieve en zelfs neurologische voordelen met zich meebrengt als ze op een juiste manier begeleid wordt. Volgens deze studies behalen meertalige kinderen betere resultaten op het vlak van mentale flexibiliteit, creativiteit en analytische vaardigheden en behouden ze die voordelen later in het leven. Andere recente studies hebben aangetoond dat meertalige personen door hun grotere neuro-cognitieve flexibiliteit significant minder risico lopen om dementiegerelateerde symptomen te ontwikkelen zoals Alzheimer of dat ze die symptomen pas op latere leeftijd ontwikkelen. Als ze toch getroffen worden door dergelijke symptomen, lijden ze er in minder erge mate aan dan eentalige personen.
Zie :
Why Bilinguals Are Smarter (2012) by Yudhihit Bhattacharjee, in New York Times, 18 March 2012,
Bilingualism: consequences for mind and brain (2012) by E. Bialystok, FI Craik, G. Luk, in Trends in Cognitive Science, 16(4), p. 240-50,
Bilingualism: the good, the bad and the indifferent (2009) by E. Bialystok, in Bilingualism: Language and Cognition, 12, p. 3-11,
Study on the Contribution of Multilingualism to Creativity (2009)

5. Wat zijn de nadelen van meertaligheid voor het individu?

Een mogelijk nadeel van meertaligheid bestaat erin dat - apart per taal gemeten - de beheersing van de talen die iemand spreekt minder goed lijkt te zijn dan die van eentalige sprekers van die talen. Meertalige personen zouden bijvoorbeeld een kleinere actieve woordenschat hebben in elk van hun talen dan eentalige personen. Ook zou de invloed van hun andere talen doorsijpelen, wanneer meertalige personen in een van hun talen spreken of schrijven. Daardoor hebben ze een accent of maken ze af en toe grammaticale fouten (dit fenomeen staat bekend als interferentie). Als alle talen samen worden genomen, zijn de totale talenkennis en communicatieve vaardigheden van meertalige personen natuurlijk veel groter dan die van eentalige personen.

Het belangrijkste nadeel van meertaligheid voor het individu heeft betrekking op de tijd en de inspanning die het kost om een nieuwe taal te leren, in het bijzonder wanneer dat op latere leeftijd gebeurt.

6. Wat zijn de voor- en nadelen van meertaligheid voor een gemeenschap?

In de 19de en een groot deel van de 20ste eeuw werd door velen het standpunt verdedigd dat meertaligheid niet alleen slecht was voor individuen, maar ook voor gemeenschappen. Men ging ervan uit dat in de ideale natiestaat de burgers één taal moesten delen en alle andere talen moesten uitschakelen, omdat taaldiversiteit en de meertaligheid die er het gevolg van was de ziel van de natie konden bezoedelen, de dynamiek van het culturele leven konden ondermijnen, een bedreiging voor de openbare orde en de nationale eenheid konden vormen en de economische ontwikkeling konden belemmeren.

De combinatie van globalisering en migratie dwingt ons er vandaag de dag toe om taaldiversiteit te aanvaarden als een centraal en onomkeerbaar feit van gemeenschappen in de 21ste eeuw. In het slechtste geval kan taaldiversiteit een fragmentering van de gemeenschap veroorzaken in subgemeenschappen die niet in staat zijn om met elkaar te communiceren of een gemeenschappelijk project met elkaar te delen. Over het algemeen moet men erkennen dat het beheer van het economische, sociale en politieke leven van een taalkundig diverse gemeenschap vaak moeilijker, zwaarder en conflictueuzer is dan dat van een eentalige gemeenschap. Sommige landen, zoals Singapore, Luxemburg en Zwitserland, bewijzen nochtans dat taaldiversiteit kan stroken met een positie in de top vijf van de meest welvarende landen ter wereld.

Meertaligheid, het wijdverspreide leren van verschillende talen door de leden van een gemeenschap, is de lijm, het netwerk van verbindingen dat taaldiversiteit van een handicap in een troef kan veranderen. Als er voldoende kennis bestaat van de gedeelde plaatselijke talen, biedt de duurzame aanwezigheid van mensen met een groot aantal verschillende moedertalen in een stad als Brussel niet alleen geweldige kansen voor de lokale verkenning en waardering van een grote verscheidenheid aan culturen, maar ook een enorme rijkdom op het vlak van economisch waardevolle relaties met ontelbare plaatsen in de wereld. Dat onderstreept alvast het belang van de promotie van meertaligheid, doordat men talen leert linken aan elkaar – in het geval van Brussel Frans, Nederlands en Engels – en tegelijkertijd zoveel mogelijk andere talen in de gemeenschap koestert en behoudt.

7. Wat zijn de voor- en nadelen van meertaligheid voor een onderneming?

In een geglobaliseerde wereld is de kennis van andere talen essentieel voor ondernemingen die internationaal handel willen drijven. Engels is in een groot deel van de wereld de lingua franca en is daarom een evidente keuze als gemeenschappelijke communicatietaal. Toch biedt ook het kunnen communiceren in meerdere talen een onderneming een competitief voordeel. Niet alleen gebruiken bepaalde landen een andere lingua franca dan het Engels (bv. het Frans, Spaans, Russisch en Chinees), maar een onderneming kan ook meer succes boeken op buitenlandse markten door de moedertalen van haar klanten te gebruiken. Daardoor drukt men respect uit voor de cultuur en de identiteit van de klanten, wekt men vertrouwen en goodwill, bewijst men dat men een engagement op lange termijn aangaat, krijgt men makkelijker inzicht in de plaatselijke wetgeving en plaatselijke gebruiken en kunnen het marktonderzoek en de reclamecampagnes efficiënter verlopen. Als men in een onderneming verschillende talen hanteert, kan men bovendien uit een grotere kandidatenpool rekruteren en het personeel dynamischer maken door de diversiteit ervan te vergroten (Zie ). Al deze voordelen betekenen een meerwaarde voor ondernemingen die wereldwijd actief zijn. In de taalkundig diverse Brusselse context betekenen ze echter ook een meerwaarde voor ondernemingen die lokaal actief zijn: meertalige personeelsleden zorgen ervoor dat er een sterkere band met de klanten en andere belanghebbenden ontstaat.

8. Wat is de houding van de Europese Unie tegenover meertaligheid?

Respect voor de taaldiversiteit van Europa is steeds een belangrijk aandachtspunt geweest in het Europese integratieproces en staat nu ook expliciet vermeld in artikel 22 van het Verdrag van Lissabon (2007). Om de taalkundig diverse Unie vlot te laten functioneren is het uiteraard essentieel dat voldoende burgers andere talen leren. Het is daarom niet verrassend dat de Europese instellingen het belang van meertaligheid blijven benadrukken om optimaal voordeel te kunnen halen uit de kansen die de Europese integratie gecreëerd heeft.

Het actieplan van de Europese Commissie uit 2004 formuleerde als concrete doelstelling “de moedertaal plus twee”. In een rapport uit 2008, dat op initiatief van de Commissie tot stand kwam, werd die idee verfijnd: elke Europese burger zou naast het Engels – de niet vermelde, maar onweerstaanbare lingua franca – op basis van een speciale affiniteit een “persoonlijke adoptietaal” binnen het gamma van Europese talen moeten verwerven.

Terwijl tweetaligheid met Engels zich snel verspreidt over het Europese continent, wordt de meer ambitieuze doelstelling van drietaligheid nog lang niet bereikt en zou ze wel eens onbereikbaar kunnen zijn in veel regio’s van de Europese Unie. Maar in Brussel, de officieuze hoofdstad van de EU, zou het Europese ideaal een realistischer doel moeten zijn dan op veel andere plaatsen door de nabijheid van het Nederlandstalige Vlaanderen en het Franstalige Wallonië, gecombineerd met de aanwezigheid van een internationale gemeenschap die hoofdzakelijk in het Engels communiceert.

4. Hoe kunnen we meertalig worden?

1. Kan iedereen gemakkelijk talen leren?

Er zijn verschillende manieren waarop iemand meertalig kan worden. Veel mensen leren twee of meer talen door er reeds op jonge leeftijd mee in aanraking te komen. Dat kan gebeuren in de thuiscontext, bijvoorbeeld omdat de vader en de moeder elk afzonderlijk met hun kind een verschillende taal spreken en soms een derde taal met elkaar. Dat kan ook gebeuren omdat de thuistaal verschillend is van de taal die op school, met vrienden of met buren gesproken wordt. Vele anderen worden in een latere levensfase meertalig, bijvoorbeeld als gevolg van migratie of met de hulp van televisie of het internet, of in een formeel onderwijssysteem, hetzij via vreemdetalenonderwijs, hetzij via immersie- of submersieonderwijs.

Sommigen leren een taal sneller dan anderen, maar er zijn geen onoverkomelijke hindernissen voor het aanleren van een tweede taal. In veel landen is tweetaligheid eerder regel dan uitzondering, los van verschillen in intelligentie of taalaanleg. De belangrijkste factor in taalverwerving is de relevantie voor het dagelijks leven van de lerende. Een taal die gebruikt wordt in iemands omgeving biedt veel mogelijkheden voor het oefenen van de taal in een levensechte situatie. Het doel mag echter niet overambitieus zijn, vooral niet in het geval van volwassenen met weinig tijd om de praktijk aan te vullen met systematisch studiewerk. Het kan niet de bedoeling zijn om een tweede of derde taal volledig te beheersen. Zelfs eentaligen hebben vaak een allesbehalve “perfecte” kennis van hun moedertaal. De vaardigheid om een alledaags gesprek te kunnen voeren met moedertaalsprekers van een andere taalgemeenschap is doorgaans voldoende ambitieus – en loont zeker de moeite.

2. Bestaat er een minimum- en maximumleeftijd voor het leren van een nieuwe taal?

Neen. Zowel kinderen als volwassenen kunnen een tweede taal leren, maar er bestaan verschillen in de manier waarop nieuwe talen worden geleerd. In het geval van jonge kinderen zal de taal verworven worden via een spontaan leerproces in familiale kring, in de gemeenschap of op school. Een voordeel van het aanleren van een taal op jonge leeftijd is het feit dat kinderen de uitspraak van een tweede taal makkelijker zullen beheersen dan volwassenen. Bovendien blijven ze gespaard van een bewuste leerinspanning, al moeten ze nog steeds de verschillende taalcodes en schriftsystemen die hen omringen onderscheiden en ontcijferen. Deze twee- of veelvoudige leeropdracht kost meer tijd en moeite dan het ontcijferen van slechts één code en kan ervoor zorgen dat er tijdelijk een vertraging optreedt in het aanleren van één of mogelijkerwijs elk van de talen, en dit vergeleken met eentalige kinderen. Op lange termijn ontwikkelen ze echter grotere cognitieve vaardigheden. Wanneer de voorwaarden goed zijn, vooral wanneer ze voldoende in aanraking komen met al hun talen, zullen meertalige kinderen dikwijls hun eentalige leeftijdsgenoten inhalen tegen het einde van de lagere school of zelfs vroeger. Als de verschillende talen onvoldoende aanwezig zijn in de natuurlijke omgeving van de kinderen, zullen ouders, kinderverzorgers en leerkrachten die hen meertalig willen maken, inspanningen moeten leveren om een aangepaste taalkundige strategie te plannen en uit te voeren. Die strategie moet ervoor zorgen dat de kinderen voldoende in contact komen met elk van de talen die worden aangeleerd.

In het geval van tieners of volwassenen gebeurt het aanleren van een taal doorgaans op een formelere manier, wat dan ook meer bewuste inspanningen vereist. Volwassenen die de taal leren zijn in staat om de nieuwe taal bewust te analyseren en een beroep te doen op verschillende leerstrategieën om het taalkundige leerproces te versnellen. Als er voldoende motivatie is om te leren en voldoende contact met de taal die geleerd wordt, zullen volwassenen een taal sneller leren dan jonge kinderen, hoewel ze over het algemeen voorgoed een “vreemd accent” behouden. Volwassenen die meertalig willen worden, zullen de tijd en middelen moeten vinden om taalklassen te volgen en om de taal te oefenen met (bij voorkeur) moedertaalsprekers. Dit zou minder moeilijk moeten zijn in Brussel dan op andere plaatsen, op voorwaarde dat mensen zich niet opsluiten binnen de grenzen van hun eigen taalgemeenschap.

3. Wat is de beste methode om een nieuwe taal te leren?

Er bestaan verschillende methodes om een taal te leren en elke methode heeft haar voor- en nadelen. Het belangrijkste is dat de methode die gekozen wordt overeenstemt met de situatie, het karakter en de bedoeling van de leerder. Informeel leren door te communiceren met moedertaalsprekers, als men bijvoorbeeld in het buitenland leeft, kan tot uitstekende communicatieve vaardigheden leiden, terwijl formeel onderwijs in de klas kan resulteren in een correctere grammaticale taalbeheersing en een preciezere woordenschat. Wat het beste is voor een volwassene is niet noodzakelijk het beste voor een kind, net zoals datgene wat het beste is voor een heel sociale persoonlijkheid niet noodzakelijk het beste is voor iemand die wat verlegener is. En als je een taal voor louter professionele doeleinden wilt leren, is het zinvol om te focussen op het jargon van je beroep, terwijl iemand die een taal op vakantie wil gebruiken, nood zal hebben aan een algemene woordenschat voor dagelijks gebruik. Wat echter ook de methode is die aanvankelijk wordt gebruikt, het leren van een andere taal is, net als moedertaalverwerving, een proces dat nooit volledig afgerond zal zijn, en de beste manier om te blijven leren – en inderdaad te onderhouden wat men heeft geleerd – is de taal te blijven oefenen, zowel passief receptief als productief. Onze belangrijkste taalleraren zijn mensen die geduldig genoeg zijn om naar ons te luisteren en met ons te praten in een taal die we niet zo goed kennen, maar die we toch durven te gebruiken. Formeel onderwijs heeft hoe dan ook zijn plaats in dit proces en niet alle methodes zijn even effectief.

4. Wat is de beste manier om een taal te onderwijzen?

Traditionele klasmethodes, die tot op zekere hoogte nog steeds gebruikt worden, focussen op het leren van grammaticaregels en woordenschatlijstjes. Zij kopiëren grotendeels de methodes die men gebruikt om dode talen zoals Latijn en Grieks te onderwijzen en hanteren slechts in beperkte mate een communicatieve aanpak. Zij kunnen oudere leerders een goede basiskennis van de taal geven, maar kunnen zelden succesvol zijn als er geen luister- of spreekoefeningen buiten de klas mee gepaard gaan. Vandaag de dag gaat men er over het algemeen van uit dat minder formele methodes efficiënter zijn, in het bijzonder voor jonge leerlingen.

Immersieonderwijs heeft betrekking op het onderwijzen van vakken die buiten het taalonderwijs vallen (zoals wiskunde of geschiedenis) en dit in een andere taal dan de moedertaal van de leerlingen. De andere vakken worden wel nog in de moedertaal onderwezen. Een zorgvuldig uitgewerkte versie van het immersieonderwijs is Content and Language Integrated Learning (CLIL), of Enseignement d'une matière par intégration d'une langue étrangère (EMILE). Het wordt systematisch toegepast in een aantal Belgische scholen, waarvan de meeste in Wallonië gelegen zijn, en op het niveau van het middelbaar onderwijs in het netwerk van de Europese scholen, waaronder de vijf Europese scholen in Brussel. Deze leermethode, waarbij men een vak volgt in een andere taal dan de moedertaal, beperkt zich uiteraard niet tot het lager en middelbaar onderwijs. In het hoger onderwijs en het volwassenenonderwijs is het een zeer gebruikelijke methode. De meeste Belgische universiteiten bijvoorbeeld bieden nu vakken in het Engels aan die toegankelijk zijn voor zowel buitenlandse als Belgische studenten.

Al heerst er nu een brede consensus over de meerwaarde van immersieonderwijs ten opzichte van traditionele methodes, toch bestaan er nog twijfels over de vraag of immersie in alle contexten wenselijk is. Hoe goed het werkt zal bijvoorbeeld afhangen van hoeveel kinderen de tweede taal van de school als hun thuistaal hebben en daarom ook geneigd zijn om ze onder elkaar te spreken (wat wel eens het geval zou kunnen zijn voor veel Nederlandstalige scholen in Brussel en in de rand rond Brussel als ze immersieonderwijs in het Frans zouden inrichten). Het zal ook afhangen van hoeveel kinderen geen enkele van de schooltalen als hun thuistaal hebben: voor hen zou immersie neerkomen op een dubbele submersie.

5. Kunnen de media onze taalvaardigheid verbeteren?

Televisieprogramma’s en films in een andere taal zijn ongetwijfeld goede hulpmiddelen om de taalvaardigheid van iemand te verbeteren, voornamelijk wanneer hij of zij in het dagelijks leven weinig met die andere taal in contact komt. Vooral voor kinderen kan de combinatie van gesproken woorden met beelden de interesse verhogen voor wat er gezegd wordt. Voor kijkers die kunnen lezen, kunnen ondertitels in hun beste taal of in de taal van de zender het aanleren van taalstructuren en van de woordenschat vergemakkelijken. Jammer genoeg hebben tv-zenders in het Frans en in andere wijdverspreide talen de gewoonte om programma’s en films te dubben in plaats van te ondertitelen. Elke beweging in de richting van meer ondertiteling op de Franstalige zenders in België is welkom en daaronder vallen bijvoorbeeld interviews in het Engels of het Nederlands. Maar het bekijken van films en andere programma’s draagt uiteraard vooral bij aan de receptieve competenties van mensen en kan niet als vervanger voor een productieve praktijkoefening worden opgevat. De laatste decennia is het internet geleidelijk aan een makkelijk toegankelijk middel geworden voor het leren kennen en oefenen van andere talen dan de moedertaal. De mogelijkheid om met mensen van overal ter wereld te communiceren, heeft de kansen verveelvoudigd om niet alleen andere talen te lezen, maar ook te spreken en te schrijven. Vooral als lid van sociale netwerken en online fora wordt de internetgebruiker verondersteld actief deel te nemen aan online gesprekken. Als men deze nooit eerder geziene kansen daadwerkelijk wil benutten om in andere talen dan de moedertaal te communiceren in plaats van de weg van de minste weerstand te kiezen, creëert het internet een fantastisch hulpmiddel om talen te leren.

6. Waar kan ik taalcursussen in Brussel vinden?

Er bestaan in Brussel verschillende mogelijkheden om talen te leren, variërend van groepslessen tot individuele begeleiding, van dagelijkse tot wekelijkse cursussen. We hebben een lijst van initiatieven samengesteld die je zouden moeten helpen om de formules te vinden die het best bij je noden passen. Surf naar deze pagina voor de lijst! Updates en suggesties voor toevoegingen zijn welkom op info@marnixplan.org.

7. Waar in Brussel kan ik terecht om de talen te oefenen die ik wil leren?

Als je enige kennis van een taal hebt, zullen gespreksgroepen zoals bijvoorbeeld conversatietafels je helpen om de taal te oefenen en daarbij je taalvaardigheid te verbeteren. Andere initiatieven brengen je in contact met moedertaalsprekers van verschillende talen, zodat je ze kunt oefenen in een natuurlijke omgeving. Je vindt een lijst van gespreksgroepen en gelijkaardige initiatieven op deze pagina. Updates en suggesties voor toevoegingen zijn welkom op info@marnixplan.org.

5. Hoe kunnen we onze kinderen meertalig maken?

1. Is het altijd een goed idee om kinderen in verschillende talen op te voeden?

Ja, zolang deze talen worden gesproken in de familie of in de omgeving van de kinderen en daarom als natuurlijk, vanzelfsprekend en nuttig worden ervaren door het kind. Een meertalige stad als Brussel is dan ook een gunstige omgeving om een kind meertalig op te voeden.
Hoeveel talen kunnen kinderen leren? Zo veel als ze nodig hebben en bereid zijn te leren. Er bestaat geen andere limiet voor het aantal talen dan de hoeveelheid regelmatige contacten en interacties die kinderen kunnen hebben in de verschillende talen. Kinderen zullen talen leren (zoals alle andere dingen in het leven) als ze in hun dagelijks leven een behoefte of noodzaak voelen om ze te leren. Als mensen rondom hen (familie, opvang, school, vrienden,…) consequent en in voldoende mate verschillende talen spreken, zullen kinderen gemotiveerd zijn om ze te leren.

2. Wat moeten we doen om onze kinderen in hun thuissituatie meertalig te maken?

Een eerste zeer belangrijke vereiste is dat ouders een positieve houding tegenover meertaligheid aannemen, zodat de kinderen voelen dat het belangrijk is en voordelig is om meer dan één taal te kennen. Ten tweede moeten de ouders een taalstrategie hanteren die goed aangepast is aan de gezinssituatie en alles daarrond en zich daar zo consequent mogelijk aan houden.

Als de ouders verschillende moedertalen spreken, en als deze talen gestandaardiseerde en geschreven talen zijn, dan is het zogenaamde OPOL-principe de meest aangewezen strategie. OPOL komt neer op één taal per ouder (One parent, one language): de ouders gebruiken consequent elk hun eigen moedertaal tegenover het kind en doen dat zo vroeg mogelijk, liefst vanaf de geboorte. Dat heeft het voordeel dat er een intiemere band met het kind en met hun gezamenlijke culturele wortels wordt gecreëerd. De OPOL-strategie reikt ook een goed taalmodel voor het kind aan, omdat de ouders de taal spreken die ze het best beheersen.

Als de ouders dezelfde moedertaal hebben, is het nog steeds mogelijk om thuis een omgeving van tweetaligheid te creëren door het gebruik van de zogenaamde artificiële strategie: one of the parents uses with the child a second language that is not his or her own mother tongue. Eén van de ouders gebruikt tegenover het kind een tweede taal die niet zijn of haar moedertaal is. Dit vereist een zeer goede beheersing van de tweede taal en een grote vastberadenheid, aangezien dit niet de meest natuurlijke keuze is. In de meeste families met één enkele moedertaal zullen de kinderen echter vooral meertalig worden door naar een school te gaan waar de voertaal een andere taal is dan de thuistaal, hetzij gedeeltelijk, hetzij volledig.

Bij elk van deze basisstrategieën kan de rol van de ouders en de school vaak nuttig worden aangevuld door andere mensen die een regelmatig contact hebben met het kind: grootouders of andere verwanten, buren, kinderverzorgers, leerkrachten, jeugdbewegingen, enzovoort. Deze mensen kunnen de taalcompetentie versterken die kinderen te danken hebben aan hun ouders of hun school, of kunnen de kinderen een andere taal leren en hen de kans geven om die regelmatig te oefenen. Een kind dat bijvoorbeeld geboren is in een homogeen Franstalig gezin zou Nederlands kunnen leren door een Nederlandstalige kinderoppas te hebben en later lid te worden van een Nederlandstalige jeugdbeweging of sportclub.

3. Welk type school is het meest geschikt om onze kinderen meertalig te maken?

De schooltaal heeft de grootste kans om de sterkste taal van het kind te worden, zodat dit gegeven – samen met andere, zoals de afstand van thuis of het pedagogisch project - een belangrijke overweging is bij de schoolkeuze. Welke soort school de beste is, is sterk afhankelijk van de specifieke gezinssituatie.

Neem bijvoorbeeld een tweetalig gezin. Als men kan kiezen tussen twee talen wat de onderwijstaal op school betreft, is het beter, ceteris paribus, om de taal te kiezen die het minst aanwezig is in de thuisomgeving. Als de mogelijkheid bestaat, mogen de ouders ook kiezen om hun kinderen naar een school te sturen die een derde taal als onderwijstaal heeft, zodat hun kinderen drietalig kunnen opgroeien — zelfs viertalig als de school immersie aanbiedt in alweer een andere taal dan de thuistalen. Opdat dit goed zou werken, is het wel belangrijk dat op zijn minst één ouder de schooltalen kent of verwerft om het huiswerk van de kinderen op te volgen, terwijl men de thuistalen aanhoudt voor de meeste andere doeleinden en men ervoor zorgt dat de kinderen voldoende in contact komen met elk van de betrokken talen.
In het geval van eentalige gezinnen is de meest evidente keuze, als het mogelijk is, een immersieschool met de thuistaal als een van de onderwijstalen. Voor de meeste gezinnen in Brussel is dit geen reële keuze omdat hun thuistaal geen onderwijstaal is in welke Brusselse school ook, of enkel in scholen die inschrijvingsgelden vragen die zij niet kunnen betalen of enkel in Europese scholen waar zij geen toegang toe hebben. Zelfs voor gezinnen met Frans als thuistaal bestaat deze keuze dikwijls niet. De toegang tot Franstalige scholen die in Brussel immersieonderwijs aanbieden, is beperkt (10 lagere scholen en 18 middelbare scholen) en ingewikkeld. Het belangrijkste obstakel is het algemene plaatstekort, gekoppeld aan een registratieprocedure die verschillende criteria in rekenschap neemt (zoals de socio-economische achtergrond of de afstand van de school). Bovendien is men in het immersieonderwijs niet verzekerd van onderwijscontinuïteit tussen de lagere en de middelbare school.

Het zou erg wenselijk zijn als meer scholen immersieonderwijs zouden aanbieden of als echte tweetalige of meertalige scholen konden worden gefinancierd door de Belgische overheden. Ondertussen sturen veel ouders hun kinderen naar een school waar de voertaal een andere taal is dan hun eigen taal. Velen hebben geen andere keuze.

4. Is het een goed idee om kinderen naar een school te sturen waar de voertaal een andere taal is dan de thuistaal?

Submersieonderwijs verwijst naar een situatie waarin leerlingen naar school gaan in een andere taal dan hun moedertaal, waarbij de moedertaal nooit als onderwijstaal wordt gebruikt. Submersieonderwijs, op deze manier gedefinieerd, was een gebruikelijke praktijk in heel Europa toen de officiële taal van de jonge naties de enige onderwijstaal was en vaak verschilde van de thuisdialecten van de leerlingen. Het is een gebruikelijke praktijk in het hedendaagse Afrika, waar de koloniale taal vaak de enige onderwijstaal is voor kinderen met Afrikaanse moedertalen. En ook de meeste kinderen uit Brusselse migrantengezinnen hebben op dit ogenblik geen andere keuze dan submersieonderwijs. Er is simpelweg geen school die onderwijs in hun moedertaal aanbiedt, en voor velen onder hen is er ook weinig hoop dat dat ooit het geval zal zijn: zelfs indien Standaardarabisch in sommige scholen als een onderwijstaal werd aangeboden, dan nog zou het nog steeds erg verschillen van het Marokkaanse dialect darija en vooral van de Berber-dialecten waarmee vele migrantenkinderen thuis opgroeien.

Naar school gaan in een taal die men niet of onvoldoende beheerst, kan een traumatische ervaring zijn. Submersieonderwijs kan leiden tot een langdurige taalhandicap die het leren van alle vakken aantast en soms leidt tot permanente cognitieve en psychologische achterstand. De frequentie van deze effecten heeft submersieonderwijs een slechte naam gegeven bij taal- en onderwijskundigen, vooral omdat het vaak geassocieerd wordt met de stigmatisering van de moedertalen van de kinderen.

Niettemin kan ook submersieonderwijs succesvol zijn. Veel leerlingen trekken zich opvallend goed uit de slag en beheersen de schooltaal op het einde van hun schoolloopbaan even goed als de gemiddelde moedertaalspreker, terwijl ze ook taalvaardig blijven in hun thuistaal. Of submersieonderwijs al dan niet succesvol is, hangt af van verschillende factoren, zoals de houding en de vaardigheden van de leraren en de mate waarin ze rekening willen of kunnen houden met de speciale noden van kinderen met weinig of geen voorkennis van de schooltaal. Daarnaast zijn er ook de taalkundige samenstelling van de klasgroepen, de (on)mogelijkheid van de ouders en de leerkrachten om met elkaar te communiceren, het consequente gebruik van talen in de thuissituatie en de mate waarin men in contact komt met de schooltaal in de media of tijdens buitenschoolse activiteiten en in de leeftijdsfase die voorafgaat aan de schooltijd.

In de Brusselse context is het uiterst belangrijk dat de factoren die bijdragen tot een succesvolle submersie-ervaring worden geïdentificeerd en gestimuleerd. Het is daarbij van groot belang om zo veel mogelijk lessen te trekken uit de verwezenlijkingen en de moeilijkheden van de vele Nederlands- en Franstalige scholen die geen andere keuze hebben dan submersieonderwijs aan te bieden aan het merendeel van hun leerlingen. Er zal bovendien steeds moeten worden gezocht naar nieuwe manieren om deze cruciale uitdaging zo efficiënt mogelijk aan te pakken. Zie ook de brochure uitgegeven door het Onderwijscentrum Brussel voor ouders die hun kinderen naar een Nederlandstalige kleuter- of basisschool willen sturen.

5. Hoe belangrijk is consequentie?

Kinderen zijn genetisch uitgerust om verschillende talen te leren als ze opgroeien. Als men er echter voor wil zorgen dat jonge kinderen hun verschillende talen niet gaan vermengen, is enige consequentie in het taalgebruik met het kind belangrijk. Idealiter zou in de communicatie met het jonge kind altijd dezelfde taal moeten worden gebruikt door de ouders en de andere volwassenen die regelmatig contact hebben met het kind. Zij moeten vermijden om van de ene taal naar de andere te springen in dezelfde zin, tijdens hetzelfde gesprek of van de ene op de andere dag. Zij moeten vooral niet proberen om met het jonge kind de taal van de school of kinderopvang te spreken als zij die taal zelf onvoldoende beheersen. Dat helpt het kind niet om de schooltaal of de voorafgaande taal te leren. Integendeel is het op die manier moeilijker voor kinderen om de uitspraak- en grammaticaregels te vatten die de grondslag vormen voor de gesprekken waarmee ze in contact komen. Het is veel beter om bij hun moedertalen te blijven.

Dat ideaal is echter vaak onbereikbaar, in het bijzonder wanneer de moedertaal van de ouders een ongeschreven dialect is zonder een vastgelegde code en doordrongen van leenwoorden uit andere talen. Wat in dit geval de beste strategie is, zal van de concrete omstandigheden afhangen. Op de eerste plaats mogen ouders zich in een dergelijke situatie niet schuldig voelen en mogen ze de emotionele relatie met hun kinderen niet laten verstoren door taalmoeilijkheden. Ze moeten nog steeds trots zijn op hun moedertaal en, als het enigszins haalbaar is, proberen om ze door te geven aan hun kinderen, terwijl het vroeg en regelmatig bijwonen van Frans- of Nederlandstalig kleuteronderwijs hun kind moet helpen om een stevige taalverwerving van één standaardtaal op te bouwen vooraleer de lagere school start.

De aandacht voor consistentie kan in ieder geval afgezwakt worden als de kinderen tieners worden en hun verschillende talen stevig verankerd zijn en zich duidelijk van elkaar onderscheiden. Het hoeft de ouders er overigens ook niet van te weerhouden om in de nabijheid van het kind een andere taal te spreken, onder meer met elkaar. Ook hoeft het hen er geenszins van te weerhouden om uitzonderingen toe te laten op de basisregels, zolang die duidelijk afgebakend zijn qua activiteit, tijd en plaats. Het kind zal begrijpen dat er een tijdelijke verandering van regels plaatsvindt en zal daardoor niet verward zijn. Dat kan bijvoorbeeld bij de controle van het huiswerk, het lezen van een boek, tijdens een uitstapje of op vakantie.

6. Zal mijn meertalig kind talen door elkaar halen?

Het mengen van talen is een normale fase in de taalontwikkeling van een twee- of meertalig kind en daarom niets om zich zorgen over te maken. Veel ouders maken melding van een dergelijke fase. Wanneer het kind ouder wordt, vermindert doorgaans het onvrijwillige dooreenhaspelen. Sommige bewuste mengvormen kunnen echter wel permanente communicatiekenmerken worden bij meertalige kinderen en volwassenen. Een voorbeeld daarvan is code switching, met name het overstappen van de ene taal naar de andere in hetzelfde gesprek met gesprekspartners die dezelfde talen beheersen. Een ander voorbeeld is het gebruik van leenwoorden, het aanwenden van woorden uit een andere taal om beter de bedoelde betekenis uit te drukken. Dat is geen teken van verwarring, maar het samenbrengen van een breder repertoire in een meertalige omgeving. Om onvrijwillige vermenging en verwarring te minimaliseren, is het aan te raden dat elk van de ouders altijd dezelfde taal spreekt met hun jonge kinderen om hen een duidelijk model aan te reiken.

7. Vertraagt het gelijktijdig leren van twee talen op jonge leeftijd de taalontwikkeling?

Niet noodzakelijk. Wanneer men een vergelijking maakt met eentalige kinderen, worden vaak enkele vertragingen in het activeren van een of meer talen van het meertalige kind gemeld. Deze vertragingen zijn moeilijk exact te bepalen, precies omdat ook eentalige kinderen niet allemaal op hetzelfde moment hun taal activeren. Zie bijvoorbeeld voor recente onderzoeksgegevens die zowel betrekking hebben op het Frans als op het Nederlands. Kinderen moeten verschillende codes op hetzelfde moment "ontcijferen" en daarom is het normaal dat het langer kan duren: zij moeten verschillende woorden voor elk ding leren, verschillende manieren om die woorden met elkaar te verbinden en ook leren wanneer, met wie en hoe elk van hun taalsystemen gebruikt moet worden. Deze vertraging duurt doorgaans niet lang, maar het kan wat frustratie opwekken bij de kinderen en bij de ouders, die zo snel mogelijk gerustgesteld willen worden over de taalcompetenties van hun meertalig kind. Zonder enig substantieel probleem te veroorzaken, zullen de verschillende talen over het algemeen tot ontwikkeling komen wanneer het kind er klaar voor is. Het is dan ook niet aan te raden om de gezinstalen na enige maanden of jaren te veranderen. Dat kan het kind in verwarring brengen en nieuwe vertragingen veroorzaken, naast het feit dat het de tweetaligheid van het kind misschien onomkeerbaar aantast.

8. Kunnen televisie en computers ondersteuning bieden?

Televisie en andere media in talen die anders zijn dan de moedertaal vormen ook een uitstekende ondersteuning voor de opvoeding van meertalige kinderen. Het feit dat de keuzes die beschikbaar zijn via kabeltelevisie, satelliettelevisie of het internet steeds diverser zijn, is in dit opzicht zowel een zegen als een vloek voor taalverwerving. Een zegen omwille van de verscheidenheid aan talen die nu op deze manier toegankelijk is. Maar ook een vloek, want als men de keuze aan de kinderen overlaat, zal de wet van de minste weerstand hen er vaak toe leiden om te opteren voor audiovisueel materiaal in de taal waarin ze zich het meest comfortabel voelen. Televisie en internet kunnen dus prachtige hulpmiddelen zijn bij een meertalige opvoeding, op voorwaarde dat het gebruik ervan gecontroleerd wordt door de ouders. Dat is in veel gezinssituaties in de praktijk wellicht niet eenvoudig, en in de praktijk zal er naar een voor iedereen aanvaardbare strategie moeten worden gezocht. Ouders zouden hun kinderen vooral moeten aanmoedigen om programma's en films te bekijken in de taal die ze moeten of willen leren, hetzij met ondertitels in de doeltaal, hetzij met ondertitels in de moedertaal. Deze strategie komt zowel de luister- als de leesvaardigheid van kinderen ten goede.